EXHIBITIONS

ARTIST IN THE <PICTURE>

Frans GENTILS °1951

Expo vanaf 28 april 2019 in de
Historische Gasthuiskapel in Borgloon

Over vormen en informatie

 

De beroemde eerste zin van het evangelie van Johannes luidt als volgt: “In den beginne was het Woord, en het Woord was bij God, en het Woord was God”. Er wordt al vele eeuwen nagedacht over de precieze betekenis van deze raadselachtige zin, en ik heb niet de ambitie om iets toe te voegen aan de exegese van het Johannesevangelie. Niettemin wijs ik er graag op dat een hedendaagse interpretatie zich spontaan aanbiedt voor eenieder die enigszins vertrouwd is met de filosofische en wetenschappelijke aspecten van de informatietheorie. In de oorspronkelijke tekst van het Johannesevangelie komt het woord logos drie keer voor in de eerste zin. In het Nederlands wordt het vertaald als woord. Maar het heeft ook etymologische banden met begrippen zoals taal, rede, principeen logica. In de Griekse filosofie kon het slaan op het ordenende principe achter de kosmos, het Griekse woord voor universum, maar de betekenis daarvan viel ook samen met wat wij ordenoemen, het tegendeel van chaos. Al die begrippen zijn geconnecteerd met ons hedendaagse begrip informatie. Een woord is maar een woord als het betekenisheeft, en dus informatiefis. In de natuurwetenschappen is bijzonder veel aandacht gegeven aan materieen energie, en sinds Einstein weten we dat dit eigenlijk inwisselbare grootheden zijn. De fysica heeft ten onrechte de vraag wat informatieis verwaarloosd. Nu is het begrip informatieook niet zo eenvoudig om te duiden. Wiskundigen, biologen en computerdeskundigen lieten zich er in de loop van de twintigste eeuw wel mee in, en gaandeweg groeide het inzicht dat we, willen we de kosmos ten volle begrijpen, niet alleen materie en energie moeten doorgronden, maar evenzeer veel beter moeten vatten wat informatie is. Zonder informatie kan er geen structuur zijn, geen orde, geen patronen, geen wetmatigheden. We weten ongeveer wat randomnessis, willekeur en chaos. Materie kan ongeordend zijn, bijvoorbeeld een stapel zwerfvuil, rommel en afval, toevallig door de wind bijeengebracht ergens in een ingesloten straathoek. Ook geluid kan chaotisch, niet-informatief zijn: we kennen het als ruis. We kunnen dit alles ook wiskundig vatten, meer bepaald met behulp van de waarschijnlijkheidsrekening. Betekenisvolle orde kunnen we zien als informatie die is opgelegd aan de chaos, aan de willekeur. Het is mogelijk dat willekeur aan de oorsprong ligt van ons universum, maar als dat zo is, dan had die willekeur heel snel informatie nodig. Anders kon het universum zich onmogelijk ontwikkelen. Zonder logosgeen kosmos. Vanuit het perspectief van de waarschijnlijkheidsrekening is het ordelijke, het informatieve, minder waarschijnlijk dan de chaos en de willekeur. In de fysica bestuderen we dit vreemde fenomeen in de thermodynamica: informatie gaat in tegen de entropie.

Theologen, mede geïnspireerd door het evangelie van Johannes, hebben altijd al geredeneerd dat het ordelijke, en dus het informatieve, aan het bestaan van het universum vooraf ging. God, of het woord, het ordelijke, informatie, de logos, is er altijd al geweest, zo luidt de redenering. In de beginne was er informatie, en de informatie was God, zo zou een moderne, zij het minder poëtische vertaling kunnen klinken van de openingszin van het evangelie van Johannes. De moderne wetenschap volgt die redenering niet, ook al appelleert ze aan ons causaal denkend gezond verstand. Dat neemt niet weg dat de vraag hoe we de informatie die in het heelal aanwezig is moeten verklaren en begrijpen. Waarom precies deze natuurwetten en geen andere? Waarom zijn de natuurconstanten zoals ze zijn? En op veel kleinere schaal, maar daarom niet minder van belang voor ons: waarom evolueerde het leven op aarde tot de vormen die er zijn? De verscheidenheid van het leven, over miljarden jaren, is gigantisch. Maar de basispatronen, de fundamentele patronen of vormen waarop het leven varieert, zijn in zekere zin beperkt. Het begrip vormlaat zich net zo moeizaam omschrijven als begrippen zoals informatieof betekenis. Er zijn meerdere definities van, maar hier verwijs ik ermee naar de informatie die vervat zit in een materiële of energetische structuur. De vorm van een sterrenstelsel bijvoorbeeld drukt informatie uit over de wetmatigheden die de ontwikkeling en structuur van een sterrenstelsel bepalen. We kunnen er iets uit afleiden over de in het heelal werkzame krachten. Mocht bijvoorbeeld de zwaartekracht sterker of zwakker zijn, dan kon een sterrenstelsel niet bestaan. Ook de vormen die het leven op aarde kent, geven ons informatie. Ze leren ons veel over hun evolutionaire geschiedenis. Uit de vormelijke structuur en eigenschappen van een dolfijn bijvoorbeeld, kunnen we afleiden dat het een dier is dat in het water leeft, maar voorouders had die zich op het land bevonden. De informatie waarvan elk organisme een biologische expressie is, zit grotendeels vervat in het genoom ervan. Een organisme is een vormelijke weergave van zijn genetische informatie in interactie met zijn omgeving, en de genetische informatie is zelf een product van een miljarden jaren oud evolutionair proces. De belangrijkste factor in evolutie is het door Darwin ontdekte en beschreven mechanisme van natuurlijke selectie. Dat mechanisme creëert informatie, die ons iets leert over de verhouding tussen een organisme en de context waarin het zich bevindt en waarin zijn voorouders zich ontwikkelden. Zo geeft de snavel van een vogel informatie vrij over het voedsel waarvan de vogel leeft; het gif in een amfibie kan ons iets leren over zijn predatoren. Natuurlijke selectie creëert en consolideert informatie, door datgene te behouden dat adaptief is ten opzichte van de omgeving. Een adaptatiekan vanuit dit perspectief begrepen worden als een informatieve eenheid, als een vorm die een organisme toestaat om te gedijen in een welbepaalde niche.

Natuurlijke selectie, net zoals de andere evolutionaire mechanismen die het leven vorm geven, is gebonden aan bepaalde begrenzingen, aan constraints. Er is bijvoorbeeld een grens aan zowel miniaturisatie als aan de grootte die de omvang van organismen kan bereiken. Zo ook zullen de meeste landdieren in hun huidige vorm nooit vleugels ontwikkelen, alleen al omdat ze te zwaar zijn of niet de spierkracht kunnen genereren om los te komen van de zwaartekracht. Salvador Dali schilderde olifanten op lange, dunne hooiwagenachtige poten. In Dali’s surrealistische landschappen kunnen die olifanten zich vrij bewegen, in de echte wereld zouden ze nooit evolueren.

De informatieve vormen die we kunst noemen, zijn vrij van evolutionaire constraints, hoewel er onmiskenbaar overeenkomsten bestaan tussen evolutionaire en artistieke vormen. Er zit uiteraard ook esthetiek in welbepaalde natuurlijke patronen, en het is geen toeval dat zowel natuurlijke selectie als de meeste leden van Homo sapiensevenwichtige en harmonische vormen verkiezen, die voldoen aan specifieke wiskundige verhoudingen. Vormen die geselecteerd en verkozen worden, zijn gerelateerd aan fitness; ze hebben een positief effect op voortplanting en overleving.

 Waarom bepaalde vormen in de natuur bestaan en andere niet, is reeds lang een onderwerp van studie en discussie. Plato en Aristoteles hadden er reeds een mening over. Zij beseften reeds dat virtueel een onbeperkt aantal vormen denkbaar is, maar dat de ontwerpruimte ervoor in realiteit beperkt is. De verzameling van hypothetische vormen is bijzonder groot, misschien oneindig groot, maar de verzameling van vormen die geactualiseerd zijn, is veel kleiner. Hoe komt dat? Plato koppelde het aan zijn opvatting over de vormenwereld: er is een beperkt aantal volmaakte vormen, goddelijk van aard, en alles wat tot de realiteit behoort zoals wij die waarnemen is daar een afspiegeling van. Wat niet in de vormenwereld bestaat, kan niet afgespiegeld worden en kan dus niet bestaan. Aristoteles dacht dat elk organisme een eigen essentie bezat. De vormen waarover Plato het had bestaan niet in een afzonderlijke wereld, maar bevinden zich in de organismen zelf. De discussie hierover tussen Plato en zijn leerling Aristoteles werd verder gezet doorheen de Middeleeuwen. Zijn de vormen die wij onderscheiden reëel? Bestaan ze onafhankelijk van de mens, op een abstracte, theologisch te vatten wijze? Of zijn het slechts woorden en namen die wij erop kleven? Verwijst de naam van de roos naar iets wat vluchtig is, wat komt en weer verdwijnt, zodat enkel de naam overblijft, of slaat het begrip roos op een Platonische, eeuwig bestaande entiteit? Het lijken misschien esoterische discussies vanuit hedendaags perspectief, maar we voeren ze nog steeds, ook al beschikken we vandaag de dag over kennis van de evolutie, van natuurlijke selectie, genetica, waarschijnlijkheidsrekening, thermodynamica en informatietheorie.

Er zijn vele predarwinistische teksten geschreven over de vraag hoe we natuurlijke vormen kunnen interpreteren. Alle kunnen ze begrepen worden vanuit ofwel essentialistisch, dan wel nominalistisch perspectief. Plato startte de essentialistische traditie, Aristoteles de nominalistische. Essentialistische interpretaties sluiten gaandeweg goed aan bij theologische opvattingen: de vormen in de natuur weerspiegelen de gedachten van de Schepper. Nominalistische visies leggen de klemtoon op diversiteit en variatie in de realiteit zelf, en staan sceptisch tegenover het reële karakter van abstracte vormen of van essenties. Darwins meesterlijke boek On The Origin of Species(1859) verdedigt resoluut een nominalistische positie: de hele levende natuur bestaat uit een ontelbaar aantal organismen, elk met een eigen, unieke vorm. Het is misleidend om er weerspiegelingen van abstracte essenties in te projecteren. Het meest bijzondere boek dat tot op heden na Darwin is gepubliceerd over de ontwikkeling van natuurlijke patronen en vormen, is ongetwijfeld On Growth and Formvan de Schotse bioloog en wiskundige D’Arcy Wentworth Thompson, gepubliceerd in 1917. Thompson betwistte de darwinistische visie op evolutie, in het bijzonder dat die traag en gradueel verloopt, en dat organismen, soorten en hun adaptaties ontstaan door de inwerking van natuurlijke selectie op variatie, over duizenden tot miljoenen generaties. Thompson was een structuralist, wat inhield dat hij van mening was dat biologische vormen veeleer tot stand komen door natuurwetten en mechanische principes. De morfogenese, de evolutie van biologische vormen, ontwikkelt zich binnen fysische grenzen en kent strikte wiskundige principes, aldus Thompson. De constraintsop wat de biologische ontwerpruimte toelaat, zijn veel sterker dan wat Darwin voor ogen stond. Thompsons boek is briljant, en legt op weergaloze wijze uit hoe vormen doorheen de tijd transformeren en welke wegen zij daarbij als het ware moetenvolgen. In de decennia na de publicatie van On Growth and Formontwikkelde de evolutietheorie zich tot de belangrijkste theorie om de geschiedenis van het leven op aarde te begrijpen, of, anders gezegd, om de ontwikkeling van informatie zoals ze tot expressie komt in biologische vormen te doorgronden. Thompsons boek is daardoor wat in de schaduw van de wetenschapsgeschiedenis terechtgekomen. Dat is jammer, het is zondermeer een van de meest bijzondere boeken uit de geschiedenis van de biologie.

Er loopt een grillige, maar traceerbare lijn van Aristoteles naar Darwin en van Plato naar D’arcy Wentworth Thompson. Die hele periode omspant bijna 2400 jaar en bevat een enorme rijkdom aan opvattingen over het ontstaan en de ontwikkeling van informatie en vormen, zowel in de biologische als in de fysische realiteit. Met dit geheel aan filosofische, theologische, wiskundige en wetenschappelijke inspanningen om tot een beter inzicht te komen in het mysterie van informatie en vormen, is het werk van talloze kunstenaars verweven, die op hun manier worstelden met dezelfde problematiek. Er zijn er die er bovenuit steken in hun focus op vormen, ik denk bijvoorbeeld aan Leonardo da Vinci, Picasso of Henry Moore, en er zijn kunststromingen die expliciet aan de artistieke studie van informatieve vormen zijn gewijd, zoals het kubisme. Het werk van Frans Gentils is ondenkbaar en onbegrijpelijk zonder kennis van deze hele geschiedenis. Gentils werk is een hardnekkig volgehouden poging om artistiek grip te krijgen op de raadselen waarvoor het ontstaan van informatie en vormen ons nog steeds plaatsen. Zijn verbeelding laat zich niet aan banden leggen, wat hem in de nominalistische traditie plaatst: zoals de gedachten, zijn vormen vrij in het werk van Frans Gentils. Er lijken geen constraintste zijn, geen essenties waarvan zijn kunst een weerspiegeling is en behoort te zijn. Maar tegelijkertijd is de grote herkenbaarheid van zijn werk schatplichtig aan de Platonische invloed. Elke Gentilsis onmiskenbaar van Frans Gentils. Toen ik voor het eerst zijn werk leerde kennen, dacht ik spontaan aan On Growth and Formvan D’Arcy Thompson. Daarmee is niet gezegd dat het zich makkelijk laat interpreteren. Net zoals een ontelbaar aantal natuurlijke vormen steeds nieuwe vragen oproepen, bezit ook het werk van Frans Gentils een complexiteit die meerdere lagen kent. In de ideële ontwerpruimte situeert het zich in het bijna mystieke grensgebied tussen het virtuele en het actuele, het onbestaanbare en het mogelijke.

Het is misschien wachten op een hedendaagse D’Arcy Thompson, iemand die de zogenaamde twee culturen, die van de natuurwetenschappen enerzijds en de humanitiesanderzijds, voldoende kan overbruggen, om een uitputtende duiding te geven van Gentils werk.

 

Johan Braeckman

Hoogleraar Wijsbegeerte, Universiteit Gent